Budgetbewust ontwerpen in overheidsarchitectuur: Architettura Povera

De architect als econoom en virtuoos van het haalbare; respect voor de middelen die de gemeenschap verzamelt om een project te realiseren. De intentie om zo veel mogelijk te doen met zo weinig mogelijk middelen.

Leve de crisis
Dit basisprincipe gaat in feite over overheidsarchitectuur, wat niet wegneemt dat private opdrachtgevers er ook inspiratie in kunnen vinden. De laatste spaak aan onze communicatiespil is er een van economisch denken, in functie van een ethisch geïnspireerd schoonheidsideaal. Voor ons is budgetbeheersing méér dan boekhoudkunde. Het gaat er om, met beschikbare middelen het maximum te doen. En op zo'n manier dat de opdrachtgever en het publiek in het architecturaal project hun eigen doelstellingen en strategie terugvinden. Ook dàt is een vingerafdruk van identiteit. Wij hebben het ietwat ironisch‘Architettura Povera’ genoemd: geen ‘armoedige’ architectuur, maar een manier van ontwerpen die zoekt naar harmonie tussen doel en middelen. Waarbij de architect een virtuoos van het haalbare wordt en het schier onmogelijke realiseert binnen de gestelde materiële beperkingen.
Dure prestige-architectuur is dikwijls het retorisch gebaar van een overheid die het contact met de burger kwijt is, en ‘boven haar stand gaat leven’. Een schoolbarak in het Keniaanse oerwoud kan meer intrinsieke schoonheid hebben dan een oversizedjustitiepaleis waarvoor de generaties na ons nog zwaar zullen moeten afbetalen. Het economisch moment van de architectuur is politiek en tegelijk historisch: het zegt iets over wat mensen in een bepaalde tijd (on)belangrijk vinden. Het bevat waardeoordelen en is de exponent van een tijdsgeest. Voor ons is budgetcontrole een vorm van respect voor deze tijdsgeest, en het ultieme bewijs dat stedelijk ontwerpen, overheidsarchitectuur en publiek draagvlak ergens moeten en kunnen samenvallen. Vandaar onze boutade ‘Leve de crisis’: Hoogconjunctuur (dikwijls komt dit in onze maatschappij overeen met de illusie van hoogconjunctuur) leidt gemakkelijk tot onnodig-dure façade-architectuur. Crisissen brengen ons weer down-to-earth, in de geest van Goethe’s gezegde: ‘In de beperking kent men de Meester’.

“De ethische dimensie van architectuur gaat in belangrijke mate over budgetcontrole. “Architettura Povera” brengt respect op voor de middelen die een gemeenschap bijeenbrengt voor een project. Ze schat dit collectief genereren van middelen als iets zeer fysiek en concreet, alsof heel de stad langs een collectebus is gepasseerd en iedereen zijn bijdrage, naar eigen draagkracht en overtuiging, heeft gedaan. De som van al deze inspanningen is een statement op zich, een chiffre, haast een heilig getal. Het is voor ons ondenkbaar dat een architect daarmee zou gaan sollen. De financiële draagkracht is het symbool van het publiek draagvlak. Kantelt dit om, dan ontstaat een verspillende en amorele schuld-architectuur die de bewegingsruimte van komende generaties hypothekeert.” (‘Passione Urbana’: II-4. ‘Architectuur van de mensenstad: van theorie tot manifest’)