Architettura Povera

Op 11 oktober 2007 verscheen bij Roularta Books ons tweede boek: Architettura povera. Volgens Roularta Books; "een persoonlijk pamflet vol uitdagende gedachten over architectuur en de stad, zonder één enkel plaatje."

Hoe Architettura povera bestellen?
www.roulartabooks.be
per tel: 070/23.30.03
per fax: 070/23.34.89
per e-mail: shop@roularta.be

Inleiding boek

Toen ik in 2004 voor het eerst de term Architettura Povera op tafel gooide, had ik nooit gedacht dat hij zo’n impact op mij zou krijgen. Ik was met een paar Italiaanse vrienden (de medewerkers van de vroegere Studio Aldo Rossi) de Biënnale van Venetië gaan bezoeken. We zaten samen op een terrasje, napratend over wat we net gezien hadden. Ik gaf lucht aan mijn ontgoocheling over de ongelooflijke hoeveelheid inhoudsloze, megalomane architectuurprojecten die ze hier bij elkaar hadden gezet. Ter illustratie haalde ik mijn ontmoeting aan met de stadsarchitect van Firenze, bij wie ik enkele weken eerder ons voorstel voor een van de bouwblokken van het Novoli-project was gaan presenteren. De man was zichtbaar gecharmeerd toen ik hem vertelde dat wij vooral geen opvallend gebouw wilden ontwerpen, maar een dat past bij de ziel van Firenze. Er ontspon zich een gesprek over beeldobsessie en over de kennelijk onweerstaanbare drang van veel hedendaagse architecten om in de blaadjes te komen. Hij zei: ach, de ellende is begonnen toen de architectuurtijdschriften werden uitgevonden. En hij voegde eraan toe: ‘Architettura non si fotographa, si viva’. Architectuur dient niet om te fotograferen, maar om in te leven. Ik vond dat zo mooi gezegd. Ik bezwoer mijn vrienden dat dát de essentie is van architectuur, niet wat we net op de Biënnale gezien hadden. En toen ik probeerde uit te leggen wat voor architectuur we dan wél moesten maken, geraakte ik in mijn ietwat beperkte Italiaans niet direct uit mijn woorden. “We zouden een soort van architettura povera moeten maken”, zei ik. “Niet in de zin van arm of armoedig, maar in de ware geest van de ‘arte povera’.” Gebouwen die als vanzelf uit hun natuurlijke biotoop lijken te zijn ontstaan, in plaats van achter een tekentafel met een computer erop. De kunst van het gewone. Heerlijk moment. Iedereen was het er op een vrolijke manier mee eens. We dronken er nog een extra glas wijn op. Dat was toen: een mooie middag aan de Laguna van Venetië; vijf architecten die zich even echte vakbroeders voelden.
Architettura povera: het klinkt als een manifest. En dat is misschien ook wat ik wil dat het is. Geen esthetisch manifest, veeleer een zelfreinigende manier van denken. Een bescheiden verzameling antwoorden op de vragen die de onbescheiden, onbeschaamde vedettenarchitectuur van vandaag bij mij oproept. Is er een kwaliteitsvol, democratisch alternatief voor de geldverslindende architectuur van het exces en voor het autoritaire discours waarin die doorgaans wordt verpakt? Is het mogelijk om de houding van de vergunnende en opdrachtgevende overheid om te buigen naar inhoud, weg van het beeld? Kan ik in het tijdperk van het geglobaliseerde beeld, en van de modernistische kubus als universeel icoon, nog een Europees architect zijn? Kunnen we eens praten over een museum dat zijn inhoud wil tonen in plaats van zijn buitenkant? Over een gebouw om in te leven en te werken in plaats van om te fotograferen? Over onzichtbare, schijnbaar onbedachte architectuur van de hand van een schijnbaar afwezige architect? Over een bank onder een boom op een plein? Na de publicatie van ons vorige boek ‘Passione Urbana’ (Roularta Books 2006) hebben we dit soort vragen opgeworpen tijdens een reeks lezingen. Telkens weer was ik verbaasd hoe de toehoorders ons discours meteen begrepen, ondanks het feit dat Passione Urbana toch een behoorlijk taaie brok filosofie is. Uitspraken als ‘de stad moet vrouwelijker’, ‘traditie is progressief’, ‘design is de vijand’, ‘de stad is een persoon’, men had er geen enkel probleem mee. Alsof de mensen intuïtief wisten waar we het over hadden. Ik vond het heerlijk, zelfs wat verbijsterend. Vooral omdat naar mijn gevoel de niet-professionelen sneller mee waren dan de vakmensen. In dit boekje heb ik geprobeerd de dingen op te schrijven zoals ik ze in die lezingen heb verwoord. In korte hoofdstukjes die ook apart en niet per se in volgorde te lezen zijn.
Een van de belangrijkste ideeën uit Passione Urbana is voor mij het besef dat steden evolutionaire wezens zijn. Echte personen, met een eigen, onvervreemdbare identiteit. Dat inzicht maakt het voor mij noodzakelijk van iedere stad waar we aan het werk gaan een soort psychoanalyse te maken. Zonder een goed begrip van de stad is er voor mij geen goede architectuur of stedenbouw meer mogelijk. In de huidige mediamaatschappij, waarin het beeld domineert, is dat geen makkelijke keuze. Maar beeldobsessie en beeldarchitectuur zijn aan mij niet meer besteed. Hoewel beeldarchitectuur in mijn 26-jarige loopbaan als architect nooit echt een uitgangspunt is geweest, heb ik nu een fundamentele keuze gemaakt. En ik kan niet meer anders dan bij die keuze te blijven. Het is zoals ik het verderop in dit boek uitdruk: ik zou het vaktechnisch gezien wel kunnen, maar ik kán het niet meer. Architettura povera zit nu in iedere vezel, in iedere porie van mijn lijf. Het voelt aan als eindelijk thuiskomen.

Perstekst Roularta Books

‘Architettura povera – de kunst van het gewone’, van de hand van architect Alfredo De Gregorio is een persoonlijk en toegankelijk geschreven pamflet vol uitdagende gedachten over architectuur en de stad. Voor De Gregorio is elke stad een levend weefsel met een uniek karakter, kortom: een persoon. Net zoals met mensen, moet je ook met steden omzichtig en respectvol omgaan. De ontwerpen van De Gregorio & Partners ontstaan dan ook vanuit doorgedreven research naar de identiteit van de stad. Een architect moet volgens De Gregorio in de eerste plaats waarnemer en onderzoeker zijn, om nadien een beetje een verteller te worden, en pas in laatste instantie een vroedvrouw die nieuwe borelingen op de wereld helpt zetten. Of: “Architectuur moet uit de stad zelf geboren worden, niet louter in het hoofd van de architect.”
Alfredo De Gregorio pleit in dit boek ook nadrukkelijk voor meer vrouwelijk denken over de stad: “De mannelijke elementen in een stad hebben in wezen te maken met snelheid en functionaliteit: ze helpen je om je te oriënteren en je doelgericht van punt a naar punt b te bewegen. Het zijn de grote landmarks en oriëntatiepunten die een stad allure, uitstraling, imago geven.
Maar te veel testosteron is dodelijk. Een leefbare stad heeft ook nood aan geborgenheid. Je moet je thuis kunnen voelen in een stad. Je moet je de stad, of tenminste een deel van de stad, kunnen toe-eigenen. Daarom zijn er, naast die mannelijke elementen, ook vrouwelijke hoeken en kanten nodig: parkjes, binnenpleintjes, sluipwegen, of gewoon een bank onder een boom. Hoog tijd voor vrouwelijk tegengewicht.” De Gregorio heeft een probleem met veel hedendaagse architectuur, die hij ‘designarchitectuur’ noemt, en met de ’sterarchitecten’ die al die postmoderne tempels van staal, glas en beton bedenken. Of ze nu Rem Koolhaas, Zaha Hadid of Santiago Calatrava heten: “De grootste, en in de meeste gevallen enige, verdienste van die ontwerpers is dat ze erin slagen het onmogelijke toch te realiseren. Ten koste van wie later in zo’n gebouw moet wonen of werken, en doorgaans ook ten koste van een fortuin aan (publieke) middelen.”
Zijn antwoord is: architettura povera. De kunst van het gewone. Een architectuur die dermate organisch verbonden is met zijn omgeving, dat hij haast niet opvalt. Bescheiden maar doordacht en duurzaam, kwaliteitsvol maar met respect voor de middelen die de opdrachtgever of de gemeenschap heeft voorzien. En vooral: een architectuur van het proces; ontwerpen die groeien uit een intense dialoog met bestuuders en bewoners, met opdrachtgevers en omwonenden. Of in De Gregorio’s eigen woorden: “Hoe gepassioneerder ik bezig ben met architectuur, hoe meer ik ervan overtuigd ben dat hij naar bescheidenheid en zelfs naar onzichtbaarheid moet neigen.”
Als architect die bezig is met belangrijke binnenstedelijke ontwikkelingen in o.a. Leuven, Hasselt en Tongeren, heeft De Gregorio ook nog een boodschap voor de overheid: stop de architectuurwedstrijden! Het is volgens hem een groot misverstand dat wedstrijden automatisch kwaliteit doen bovendrijven. Bij wedstrijden zijn het doorgaans de 3D-animaties en de maquettes die indruk maken, niet de visie van de architect en zijn bereidheid om in een langdurige dialoog te gaan met de stad en haar bewoners. Die obsessie voor het beeld, ook bij de overheid, leidt volgens De Gregorio uiteindelijk tot méér verspilling van (publieke) middelen in plaats van minder. Een stelling die wel eens aanleiding zou kunnen geven tot een kruidig debat onder architecten en beleidsmakers.

'Architettura Povera' is een boek over architectuur zonder één enkel plaatje. Dat is, gezien De Gregorio’s nauw verholen afkeer voor de hedendaagse ‘beeldobsessie’, uiteraard geen toeval. Maar het bevat des te meer overpeinzingen over uiteenlopende onderwerpen als kunst, muziek en groen in de stad, over graffiti en skaters, over stadskankers en heelkunde in de stad. De gemene deler van al die reflecties is de vraag: kunnen we vandaag nog een stad bouwen waar mensen zich werkelijk thuis voelen?
En op het einde komen we ook nog te weten van welke architectuur De Gregorio zelf houdt. “Architectuur waar ik van hou moet door de tijd geraakt zijn”, zo luidt het. “Zoals bij mensen: sommige mensen zijn mooi doordat hen aan te zien is wat ze allemaal hebben meegemaakt en hoe ze dat hebben verwerkt. Dat is misschien ook de reden waarom ik wil dat onze gebouwen, eens gebouwd, er uitzien alsof ze er al lang staan.”

Een selectie van citaten uit Architettura Povera

p.10
Architectuur is eerder een kwestie van subtiel maatgevoel, dan van grote theatrale gebaren.

p.14
Er is een serieuze inhaalbeweging van vrouwelijk denken over steden nodig. Hoog tijd voor vrouwelijk tegengewicht.

p.15
Als uitgangspunt is design, zoals voor eender welke materie trouwens, fundamenteel fout.

p.17
Ik behandel steden als mensen. Net zoals met mensen, moet je ook met steden omzichtig en respectvol omgaan.

p.26
Designarchitectuur is een virus dat iedereen lijkt te hebben aangestoken. Iedereen lijkt geobsedeerd door het beeld, de buitenkant, de façade, de verpakking. De naam van die ziekte is beeldobsessie.

p.27
De allesoverheersende beeldobsessie maakt iedere vorm van helder, analytisch of procesmatig denken in het huidige architectuurdebat haast onmogelijk

p.30
De architect is in de eerste plaats waarnemer en onderzoeker. Om vervolgens misschien een beetje een verteller te worden. Hoe dan ook moet de architectuur uit de stad geboren worden. Niet louter in het hoofd van de architect die zich een genie waant. Of een halfgod.

p.31
Een goeie architect moet een beetje saai zijn. Hij cijfert zichzelf weg om anderen te laten schitteren.

p.34
Hoe gepassioneerder ik bezig ben met architectuur, hoe meer ik ervan overtuigd ben dat architectuur naar bescheidenheid en zelfs naar onzichtbaarheid moet neigen.

p.37
De nieuwe stad vloeit voort uit de oude. Zelfs de meest drastische architecturale ingreep is uiteindelijk maar een remedie voor een oude kwaal. Of een nieuwe droom voor een oude wijk.

p.39
De tempels van het postmodernisme zijn een soort Unidentified Fixed Objects. De grootste, en in de meeste gevallen enige, verdienste van hun ontwerpers is dat ze erin slagen het onmogelijke toch te realiseren. Ten koste van wie later in zo’n gebouw moet wonen of werken, en doorgaans ook ten koste van een fortuin aan middelen.

p.40
Als de vernieuwing geheugenloos is, is ze leeg. Nieuw omdat het nieuw is, zichtbaar omdat het opvallend is, belangrijk omdat belangrijke mensen zeggen dat het belangrijk is. Dan wordt het exces. De kunst van het ongewone. En die ‘kunst’ gedijt enkel als de kunst van het gewone wordt verwaarloosd.

p.42
Schoonheid bestaat maar bij de gratie van lelijkheid. Al was het maar omdat ze anders niet eens zichtbaar is.

p.44
Misschien moeten we terug naar de tijd toen niemand stilstond bij de vraag: wie is de architect van dit gebouw? Ik wil een pleidooi houden voor bescheiden architectuur. Niet zo zeer in zijn verschijningsvorm, maar veeleer in zijn aanpak, zijn samenhang met de rest. Een architectuur die dermate organisch verbonden is met zijn omgeving, dat hij haast niet opvalt. Onzichtbare architectuur.

p.48
Architettura povera is op de ene plek oud, op de andere nieuw. Op de ene plek een constructie uit baksteen, op de andere een uit staal. Hier hout, daar marmer. En nog ergens anders is het gewoon een perk van dolomiet met een paar bomen erop.

p.49
De paradox is dus dat het architecturale exces, zowel op het vlak van de vormgeving als wat het bijbehorende prijskaartje betreft, vandaag makkelijker te verkopen en politiek te vertalen valt dan de bescheidenheid en de redelijkheid van architettura povera.

p.62
Ziekte draagt de potentie van genezing in zich. Kankerplekken in de stad doen je nadenken over de toekomst van die plek. Als we de tijd nemen om naar lelijkheid te kijken, kan van daaruit een verlangen naar schoonheid, een wil tot verandering, ontstaan.

p.83
Ik vrees dat we de hype van de onleefbare stad meemaken. De chaostheorie van de stad, verkondigd door verwende westerse architecten. Als je het denken van Rem Koolhaas en co. logisch doortrekt, dan is de favela de ideale stad. Het krioelen van de miljoenen. De romantiek van het gevaar en de dood.

p.90
Al bij al heb ik het moeilijk om van jonge gebouwen te houden. Er mag, nee er moét voor mij wat patina op zitten. Architectuur waar ik van hou moet door de tijd geraakt zijn. Zoals bij mensen. Sommige mensen zijn mooi doordat hen aan te zien is wat ze allemaal hebben meegemaakt en hoe ze dat hebben verwerkt. Dat is misschien ook de reden waarom ik wil dat onze gebouwen, eens gebouwd, er uitzien alsof ze er al lang staan. Ik maak graag gebouwen waar emotie op kan kleven. Geen gladde gebouwen, maar korrelige. Met een potentie van verwering. De dood al in zich van bij het begin. Waardoor ze sneller opgaan in het grote geheel van de stad. Vergeten architectuur